woensdag 28 december 2016

Dictee woensdag 28 dec 2016 (1): dictee Taaltest Onze Taal GDNT 2016 [1041]

Dictee - dictees [1041]

Taaltest Onze Taal GDNT 2016

De norm is GB!

Kwestie ou – au (alleen de goede antwoorden)

1 gewauwel (onzinnig gepraat) 2 verstouwen (opeten, verwerken) 3 gelauwerd (veelgeprezen) 4 morgengrauwen (morgenschemering) 5 paukenist (bespeler keteltrom) 6 kabeljauw (zeevis) 7 gauwdief (doortrapte dief) 8 zoetekauw (houdt van zoetigheid) 9 watjekouw (klap, oplawaai) 10 verbouwereerd (verbluft) 11 nabauwen (spottend herhalen) 12 kenau (pittige tante) 13 ouwel (baksel) 14 rauwariër (eet ongekookt voedsel) 15 boud (stoutmoedig, onvervaard) 16 augiasstal (enorme bende) 17 centaur (menspaard) 18 dinosaurus (reuzenreptiel) 19 landauer (bepaald type rijtuig) 20 lou loene (niet gelukt, mis) 21 rauhfaser (structuurbehang) 22 monobrauw (haren boven ogen als één streep) 23 flambouw (fakkel, toorts) 24 gelouterd (door ervaring gebroeid) 25 zonnedauw (vliegenvangertje = plant) 26 louwmaand (januari) 27 spouwmuur (ruimte in dubbele muur) 28 autarkie (economisch onafhankelijk) 29 aquanaut (diepzeeonderzoeker) 30 vlootschouw (inspectie oorlogsvloot).

Kwestie ei – ij

1 eigengereid (eigenwijs) 2 andijvie (groente, rauw) 3 pijler (steunpilaar) 4 meedeinen (inhaken, carnaval) 5 reikhalzend (met hevig verlangen) 6 geteisem (geboefte, gespuis) 7 het lijdt geen twijfel dat ( ij - ij – als iets heel zeker is) 8 aantijging (beschuldiging) 9 kastijden (straffen, afranselen) 10 gebakkelei (geruzie) 11 hooimijt (hooischelf) 12 mijter (van Sinterklaas) 13 koddebeier (politieagent, jachtopziener) 14 ongebreideld (teugelloos, tomeloos) 15 brij (pap) 16 weids (groots, ruim) 17 vleien (complimenten maken) 18 kastelein (caféhouder) 19 lamprei (jong konijn) 20 poppedeine (klein meisje) 21 hermelijnvlo (volger koningshuis) 22 pasteitje (bladerdeeggebakje) 23 opiniepeiler (doet opinieonderzoek) 24 neerzijgen (langzaam op stoel zakken) 25 vlijmscherp (heel scherp) 26 melkwei (vocht na kaasmaken) 27 plaveisel (bestrating) 28 in het gevlij komen bij iemand (vaste uitdrukking) 29 opvijzelen (verbeteren) 30 zich neervlijen (elegant gaan liggen)

Kwestie c – k

1 practicum (praktijkles) 2 traktatie (lekkernij) 3 insect (mug) 4 eenakter (toneelstuk) 5 kapsones (verbeelding) 6 kapucijner (peulvrucht) 7 kadetje (broodje) 8 korpschef (leider nationale politie) 9 tact (fijngevoeligheid) 10 fabricage (vervaardiging, productie) 11 strikt (nauwkeurig en streng) 12 intact (heel en compleet) 13 stalactiet (afhangende druipsteenkegel) 14 tactiek (aanpak, methode) 15 cactus (stekelige plant) 16 plankton (kleine organismen in zee) 17 octopus (achtarmige inktvis) 18 chiropractor (bottenkraker) 19 locatie (bepaalde plaats) 20 traktaat (verdrag, verhandeling) 21 lokaliseren (vaststellen waar iets zich bevindt) 22 tractor (trekker) 23 significant (belangrijk, veelbetekenend) 24 lokaal (plaatselijk) 25 vacature (openstaande betrekking) 26 caipirinha (cocktail) 27 trucfoto (met schijneffect) 28 stukadoor (plafondwerker) 29 stucwerk (werk van pleisterkalk) 30 accolades (de tekens { en }).

Kwestie streepje, aan elkaar of spatie

1 Tweede Kamercommissie 2 rijinstructeur 3 kruidje-roer-me-niet (is snel beledigd) 4 van tevoren (vooraf) 5 soapoli (zekere kliniek) 6
haute-couturewinkel (voor échte mode) 7 havodiploma 8 bon vivant (losbol, levensgenieter) 9 contra-indicatie (geneesmiddel niet voorschrijven) 10 boter-kaas-en-eieren (spelletje) 11 door- en doorslecht (heel slecht) 12 wel en wee (wat je meemaakt) 13 piripiri (gerecht) 14 bureauagenda 16 rechttoe rechtaan (zonder omhaal) 17 jawoord (bij trouwen) 18 nee-stem (= tegen) 19 klip-en-klaar (overduidelijk) 20 kei-interessant (erg ...) 21 manusje-van-alles 22 café-eigenaar 23 hier-en-nu (znw.!, niet bijw.: hier en nu) 24 anders-zijn (andersheid) 25 kriskras (door elkaar) 26 willens en wetens 27 boeroeper (laat afkering blijken) 28 coauteur (mede ...) 29 op-en-top (helemaal) 30 fiftyfifty (ieder de helft)