vrijdag 24 maart 2017

Dictee vrijdag 24 maart 2017 (1): dictee Complete tekst dictee UGent 200 jaar 2017 [1093]

Dictee - dictees [1093]

Tekst Dictee 200 jaar UGent 2017

Gereconstrueerd uit de livestream.

De onderstreepte woorden maakten deel uit van de multiplechoicetoets.

1. Het studentenleven was nog vol jolijt in die dagen. De hoezees en andere studentikoze kreten waren niet van de lucht. Ik whatsappte nog niet, maar bespeelde met vuur de balalaika onder het raam van menig modistetje dat verschalkt werd door mijn wijnrode, met insignes gedecoreerde studentenpet. Ik distantieerde mij van mijn in farmacologische sferen verkerende amice, Corneel Heymans, die met zijn gehannes over 'chemoreceptoren' ooit nog fysiologische zevenmijlsstappen zou zetten. Het was niet te voorspellen dat hij de horizonten van zijn sciëntistische gildebroeders zou verleggen en dat nobel comité van met kant en klossen behangen éminences grises (GB ook éminence grises, maar dat was geen meerkeuzealternatief) zou verstommen met zijn studie over de sinus caroticus. En ik, die dacht dat het een aanwensel was, in om het even welk gezelschap te peroreren over de zingeving van de wortel, die sien van de carotte zoals het in de verbasterde combinatie van de Afrikaanse en West-Vlaamse tongval klonk, die we altijd praktiseerden na drie uur 's nachts.

2. Sapristi! In die glorieuze studentenheerlijkheid van weleer, was Minerva nog geen smartboardapplicatie, maar de gevederde patroonheilige van onze geliefkoosde studentensociëteit. Daar, in het belendende steegje naast de Aula Academicus, hield de semiserieuze en voor buitenstaanders hoogst enigmatische fraseologie geen maat. De meesten van ons kwamen daar pas tot leven en vermeiden zich na een bescheiden dinertje in verhitte discussies. De rood aangelopen tronies en het gefilterde waas van pijp- en sigaardampen creëerden daar elke avond een broeierig en niet voor het thuisfront bedoeld konterfeitsel van niet te miskennen breugeliaanse aard. 'Weg met de filisters', riep er een, met een stukje droge worst en een beker gerstenat in de hand. 'Leve onze naaisterkes', orakelde een confrater, bijkans tuimelend van zijn barkrukgestoelte. Dat was niet Corneel.

3. De primus onder de togati, de rock-'n-roller van het geprofte, was professor V. In Pajottenvlaams en geheel goedlachs diste hij ons vertelsels, verzonnen feitelijkheden en impressionistische weetjes op, verdichtsels en gekunsteldheden met een joekel van een
wim-t-schippersgehalte
. Ja, in de bloktijd moesten we onderzoeken wat eensdeels de ditjes en datjes en wat anderdeels de ontologische grootheden uit zijn discours waren, zodat we in de examentijd niet voor Piet Snot stonden, noch een ijzingwekkend stresssyndroom ontwikkelden of onstelpbaar nonsensicale logorroe uitbraakten. 'Gij werdt hier niet gestuurd om uzelf te verslonzen. Gij moet ons land schoner maken', placht professor V. ons te zeggen, met een biggelende traan en een krop in de keel, zodat we ons altijd uitdosten met een foulard, een lavallière of andere vestimentaire rekwisieten.


4. Somma sommarum, we waren puike heertjes, met gefriseerd haar, die met een passend dedain als dandy's door de Veldstraat paradeerden. In de zomer roeiden we op de Leie, in een Emile Clausachtige setting. Doorzond, goudgeel glanzend en hijgerig, ploegden we ons schuitje voorwaarts. Glijdend en grasduinend verkenden we de oeverkant en speurden naar het ewigweibliche. In onze picknickmand zaten sandwiches met Franse brie, een of meerdere flessen Moët & Chandon en gekaramelliseerde suikerwaren als dessert. Na een culinaire resuscitatie hervonden we onze krachten en cruiseten we stroomafwaarts verder, schuim spattend en dikkopjes vangend, terwijl krinkelende waterdingen en squameuze visachtigen ons als prehistorische gps'en weer naar de studentenstad leidden.