maandag 27 november 2017

Dictee maandag 27 nov 2017 (1): dictee Oefendcitee november 2017 (8) [1218]

Dictee - dictees [1218] 

Oefendictee november 2017 (8)

1. Ergens buiten Bergen op Zoom troffen we een blotekakkiespad aan. Hij lijdt aan BED (binge eating disorder). Hij zei: "The proof of the pudding is in the eating". De studenten dronken nog een apengeiltje. De orde van de Mevlevi's omschrijft VD als de dansende, draaiende derwisjen. Laagwater kort je af met LW. De lagergelegen gebieden zijn te nat, de hogergelegen [niet in wdb.] dito te droog. Lamunchi is lamoensiroop. Hij fiets langsheen [BE] de schuur. Een langoest is een hoornkreeft en een langoustine een kleine kreeft, nieroogkreeft of Noorse [uit Noorwegen] kreeft. Hij heeft een enorme
lapis-lazuliverzameling. Wist je, dat laos galanga is? Die ontwikkeling gaat via de larventoestand. Een LAN-party zonder computers is ondenkbaar (local area network). Met larp wordt live-action
role-playing, een rollenspel, bedoeld. Daar heb je die lazerstraal weer met zijn laserstraal.


2. Laat dan die lastpost de Last Post maar blazen. Een bed kan een lattenbodem (latten bodem) hebben. Lavas kun je toch gewoon op lavash gebruiken? Een lazaret is niet alleen voor leprozen. Een led-tv heeft een ledscherm. Hij gebruikt lecithinenpreparaten (VD: zonder tussen-n). Zit er statiegeld op dat leeggoed [BE]? Hij is een snelle Duitsleerder. Hij volgt een leer-werktraject en verstouwt veel leerwerk. Zit hij weer te legoën? Leisure is besteding van de vrije tijd. Lethargie kan letaal zijn. In dat Libelleproza komt het libellennet niet voor. De LGO-besluiten betreffen landen en gebieden overzee. Bij golfen is de lie [laaj] belangrijk. Is een light verse ook een lightproduct? Een dwerg is een lilliputter [2 x ie]. Is het limbisch systeem specifiek menselijk? The sky is the limit: dat is dus de limit. Lindaan is een insectendodende stof. De line-up kom je bij meer sporten tegen, de line-out alleen bij rugby. Hij is links-extremist. Af en toe hebben ze op de Antillen een lionfishinvasie.

3. Mijn zoon volgt een liostage. Hij heeft een hele lipidenstudie [VD: geen tussen-n] achter de rug. Hoeveel lisdoddensoorten zijn er? Is dat een livealbum of een live album? Interessant met *piet*: vogel: bonte piet (scholekster), luis: als de pieten (heel erg), een hele piet, de hoge pieten in den Haag, een saaie piet, een piet in iets zijn (goed), de grote piet uithangen (plassen, dik doen), hete melk en dikke pieten (zeker gebak, op het ijs), iemand bij z'n pietje hebben (penis, ook figuurlijk), veel piet hebben (geluk), zich piet (bnw.) houden, zo piet als een muisje (stil, koest), Piet: Piet Snot, Pietje de Dood (Magere Hein), Zwarte Piet, Piet, Pieterbaas, Sint en Piet, Sinterklaas en zijn Pieten, een malle pietje (handelaar in de tweedehandsspullen (tweedehands spullen)), Piet de smeerpoets, (werp)spiets (spies, speer), Sint-Pieter, een pietertje (klein beetje), platte pieter (= platte peter, tuinboon), spie (spietje!), kepie (kepietje!), kopie(tje), pietlut, pietsie, pietsje en hulppiet.

4. Verder: opspieën (hij spiet op, dat hij opspiet), pappie(tje), pieterig, saaipiet, utopie(tje), zeurpiet, hippietijd (!), hoofdpiet, okapi(etje), pieterman (zeevis – onderdeel van de pietervis(sen), gulden – inwoner van Leuven – ook: peterman, penis; vgl. Pieterbaas!), verpieterd, keukenpiet, pietjesbak (triktrak, bakje met dobbelstenen), pietlut(tig)(heid), verpieteren, zielenpiet, zwartepiet (toespelen = zwartepieten), ietsepietsie, pieterselie (= peterselie), kanariepiet, therapie(tje), ietsepietsie, ietsjepietsje, therapietrouw (!), pietendiploma, pietepeut, pietepeuterig, pietepeuter(en), pietje-precies, zwartepietenspel, zwartepietenpak, chelatietherapie(tje), koek-en-zopietent (!) en zwartepietenbeleid (tot zover GB).

5. Uit VD nog wat interessante zaken: ietsjepietsje, impiëteit (slechtheid, goddeloosheid), kleurenpiet (regenboogpiet), Knekelpiet (de dood), paupiëtte (bv. blinde vink – vgl. blinde dirk = ketelkoek), piëta (Maria met gestorven Jezus), pietdood (morsdood), piëteit (vroomheid, verering), pieterig (tenger), (Sint-)Pieterspenning, pietheinen (stelen), piet-in-'t-hok (* geslachtsgemeenschap, brandewijn), pietjanknor (= piepjanknor = *), pietje(s) (hoofdluis),
pietje-de-voorste (haantje-de-voorste), gossiepietje, pietenpet, zwartepietenprotest, pietje-precies, pietje-rechtuit, pietje-secuur, pietjeslui (vogelaars), pietjesneuker (muggenzifter), pietjeswagen (soort janplezier), pietmaker (opschepper), regenboogpiet, roetpiet (schoorsteenpiet), piet-van-vliet (koekoeksoort), sint-pieterskruid (sleutelbloem, glaskruid), sjappietouwer (baliekluiver), spietoren (uitkijktoren), sullenpiet (dommige zielenpiet), tempietto (Romeinse tempel), uitgepieterd (mager, zwak), wegpieteren (verkommeren), zanikpiet en zielenpieten (zielig doen).