zondag 19 februari 2017

Dictee zondag 19 feb 2017 (1): dictee Column: d, t of dt? [1067]

Dictee - dictees [1067]

Column: d, t of dt?

NB Dictee Breskens: zaterdagmiddag 13 mei, dictee Eede (bij Aardenburg) donderdagmiddag 22 juni

In het papieren Groene Boekje (dat kost geld) staat veel minder dan in de gratis digitale versie, die te vinden is via www.woordenlijst.org

Ik wil vier dingen aan de orde stellen: zoeken, werkwoorden zelfstandige naamwoorden en een toepassing.

1. Zoeken: je kunt heel makkelijk zoeken naar woorden. Let op: in het volgende is * de ster op het toetsenbord (boven de 8)! Als je (letterlijk) *deur* intypt, krijg je o.a. achterdeur, deur en deurknop. Die * staat dus voor 1 of meer (maar ook 0!) letters of cijfers. Bij 'achterdeur' was dat (eerste *) 6 en (laatste *) 0 tekens, bij 'deur' 0 en 0 en bij deurknop 0 en 4. Je kunt uiteraard ook één * gebruiken bij het zoeken. Naast de * (een soort van wildcard) kun je ook het ? als zodanig gebruiken: zo'n ? staat voor (precies) één teken (niet 0!). Zo levert zoeken op 'd??r' op: daar, deur, dier, door, duur, deren en duren. Die laatste twee lijken niet te kloppen, maar staan erbij omdat binnen het lemma (artikel) 'deren' of 'duren' wel 'deer' en 'duur' voorkomt, nl. als ik-vorm!

2. D, t of dt? Dat hoef je – los van regels als het kofschip – nooit meer fout te doen. Allereerst heb je die laatste regel meestal echt niet nodig, kijk naar de verleden tijd: hij dubde en dus is het gedubd met een d, en hij plantte, dus is het geplant met een t (wat wel lastig blijft: gepland uit het Engels betekent iets anders: plannen gemaakt ...). Als je online een werkwoord intypt, krijg je de hele vervoeging. Voorbeeld: planten – ik, jij, hij, het plant, wij, jullie, zij planten – plant jij (je erachter) – verleden tijd: ik, jij, u, het plantte, wij, jullie, zij plantten. Het voltooid deelwoord is geplant: de geplante rozen – en je ziet ook de plaats van evt. afbreken: ge.plant (de stip is de plaats van afbreken, dat wordt dus ge- (nieuwe regel) plant. Het tegenwoordig deelwoord is 'plantend': de plantende boer. Op die manier kun je alle vormen van elk ww. te zien krijgen: plannen [uitspraak: èh!], ik plan, jij of hij plant, wij plannen, ik plande, zij hebben gepland en de plannende schoolroostermakers ... Alles is op te zoeken, vb. editen [een tekst gereedmaken voor publicatie], ik edit, jij editte, we hebben geëdit en de redacteur viel al editend in slaap. Zoek het in geval van twijfel even op: slordige dt-fouten in werkwoordsvormen kun je daarmee voorkomen!

3. Ook bij zelfstandige naamwoorden krijg je een schat aan informatie, zoek op 'compromis' – ik neem expres een lastige – dat kun je uitspreken met 'ie' of met 'ihs' (vernederlandst). De eerste mogelijkheid [ie] geeft meervoud compromis en verkleinwoord compromistje(s), de tweede mogelijkheid [ihs] geef compromissen en compromisje(s) (dan geen t van tje!). Bij een bnw. krijg je de trappen van vergelijking: groot (stellende trap), groter (vergrotende trap), grootst (overtreffende trap), ook de verbogen vorm 'grote': een groot huis (het-woord) en een grote woning (de-woord). Ook de zgn. s-vorm wordt vermeld: iets groots.

4. Ten slotte nog een dicteezin ter controle en om te oefenen. De vergrotende trap van chic is chiquer (rare uitzondering!) – dat is iets taalkundigs – en daarmee vergrootte [verleden tijd] de chicste (!) dicteedeelnemer zijn door het voorafgaande artikel al ruimschoots vergrote [als bnw. gebruikt voltooid deelwoord] spellingkennis.

RL