zondag 24 april 2016

Dictee zondag 24 apr 2016 (2): dictee Column Wat is nu eigenlijk (de definitie van) een (grammaticale) zin [894]?

Dictee - dictees [894]

Column: Wat is nu eigenlijk (de definitie van) een (grammaticale) zin?

Op 23 april was ik heel vereerd dat ik in een team met Jozef, Walter en Annelies mocht meedoen aan de Taalwedstrijd in Zottegem (BE). Er waren 24 teams van 4 personen. De organisatie was perfect, mede door de inbreng van Elsie en Leen Ribbens. Het ging erg goed. In alle opgaven op een na hadden we geen (of misschien 1) foutje(s). De gedetailleerde uitslag werd niet gegeven. In de laatste opgave moesten we van 16 woorden (ook via een enveloppe als 'schuifblaadjes' – legpuzzel – gegeven) een zo lang mogelijke zin maken. Naar ons beste weten hadden we een goede zin van 15 woorden gefabriekt. Die werd door de jury echter afgekeurd (zie verderop) zodat we niet 7,5 = 8 punten voor deze opgave kregen maar (waarschijnlijk) 0 of mogelijk 1 of zo. Het gevolg was dat we niet de maximale score hadden van 160, maar 152. Anders waren we ongetwijfeld (mogelijk gedeeld) eerste of tweede geworden, nu negende. Ik troost me maar met de gedachte dat het team van Marc de Smit hetzelfde overkwam. Verder allemaal niet zo belangrijk, het was maar een spelletje immers!

Toch wil ik op de achtergronden van met name de vraag boven deze column nog wel even ingaan. Had de jury nou maar helemaal niks gedaan, dan had ik er meer vrede mee gehad dan nu. De jury hield echter voor de prijsuitreiking een heel verhaal over deze kwestie. En daarbij verwees men naar VD (op zich logisch, dat was het enige naslagwerk dat op tafel stond ... en men kon natuurlijk ook wel elektronisch over het GB beschikken, maar dat vertelt niet wat een 'zin' is). Welnu (VD:) een zin (lemma 'zin', volgnummer 13) = reeks (van een of meer) woorden in syntactisch verband die een afgeronde gedachte uitdrukt (synoniem: volzin = tot een volledige zin geordende taaluiting van betrekkelijk grote omvang, in afgeronde volzinnen spreken), de eerste, laatste zin van de brief, korte, lange, heldere, krachtige, kromme, lelijke, mooie, ingewikkelde zinnen, grammaticale, ongrammaticale zinnen, een kromme zin die in grammaticaal of stilistisch opzicht onwelgevormd is, losse zinnen die uit een groter verband gelicht zijn, of geheel op zichzelf staan, een enkelvoudige zin die uit een enkele hoofdzin bestaat, een samengestelde zin die uit (een) nevengeschikte hoofdzin(nen) en ondergeschikte zinnen bestaat, een gebeurtenis in een paar zinnen samenvatten. Uit VD kan ik verder nog heel wat wijsheden opdiepen over bv. '*zin', maar dat doe ik nu verder maar niet ...

Als ikzelf wat over een grammaticale zin zou willen weten, zou ik toch liever in een vakwerk kijken als de ANS = de Algemene Nederlandse Spraakkunst. Dat standaardwerk besteedt in Hoofdstuk 19 op de pagina's 1083 t/m 1114 uitgebreid aandacht aan het fenomeen 'De zin'. Ik zal geen samenvatting van die 32 pagina's geven. Heel interessant is de eerste regel van het verhaal. Wat is een zin? Een algemeen bevredigende definitie van de zin is moeilijk te geven. In de gangbare definities van de zin worden doorgaans heel uiteenlopende eigenschappen genoemd. De zin vormt in ieder geval conceptueel en formeel een opzichzelfstaand (ik schrijf dat maar aaneen ..) geheel dat uit een of meer woorden bestaat. De ANS zegt bij 'de vorm' nog dat een telefoonboek – kale opsomming – geen zin is en dat er functioneel-syntactisch feitelijke wel sprake moet zijn van een onderwerp en een gezegde. Ook over de betekenis wordt wel wat gezegd, maar dat gold niet bij de taalwedstrijd: het mocht klinkklare onzin zijn, als het geheel maar een correcte zin (maar daar lag nu juist het probleem dus) was. Ik spring daarna maar meteen naar p. 1114. Die gaat over onvolledige = elliptische zinnen. Mijn conclusie daarbij is dat het volgende twee correcte zinnen zijn:

1. Waar ging dit eigenlijk over?
2. Over bloemetjes in de wei en bijtjes in hun honingraten in de bijenkorf.

Ik blijf er dus bij dat de jury beter had kunnen zwijgen over VD. Verder heeft (1) de jury toch altijd gelijk, toch, en als dat (2) niet aan de orde is, treedt regel (1) toch immers in werking?