Dictee – dictees [3803]
BeNeDictee 101 Diest Bob
De 80 vet, rood en genummerde items moesten worden ingevuld.
Commentaar in blauw.
Een 1 kruiwagenvol [VD, net als handvol] punten (auteur: Bob van Dijk)
(maar waarom er juist geen punt staat achter Drs. P)
1. Ik
had mij vanmorgen overslapen [BE] en was zodus [BE: dus] aan de late kant toen
ik vandaag naar Diest 2 toe reed [ergens naartoe rijden] voor
de presentatie van dit dictee. Toen ik 3 ei zo na [bijna] op
mijn voorganger 4 toereed [BE: toerijden, wielersport] werd
ik staande gehouden door twee
5 schabletters [veldwachter,
sj, ook: schabeletter, sch]. De vermeende overtreding leidde niet tot een
6
knak [bekeuring] maar wel tot een ademanalyse – om halftien
‘s morgens; snapt u de Vlaamse logica? – die door de adjes [politieagent] tot
mijn verbazing blaastest werd genoemd. 7 Niet, dus.
Een stelletje 8noobs [newbie, beginneling – noe:p] en 9 wacho’s
[watje + macho] waren het. Ik heb hen als domme maar 10 HWN’er
[hardwerkende Nederlander] uitgelegd dat ik juist de dag ervoor door mijn
urologe aan een cystoscopie onderworpen was. Ik speelde de onderliggende partij
met mijn 11 klabanus [mannelijk geslachtsdeel] in deze
12 cringe [gênant] situatie, terwijl zij met vaardige
handen het blaasinstrument bespeelde. Dát was tenminste nog eens een blaastest!
De champetters [veldwachter] konden er wel om monkelen [meesmuilen]. Ik heb
zowel de ademtest 13 alsook de adamtest met glans doorstaan
en ontving nu eens niet de [ook: het] bekende gele 14 keycord met
logo maar een fraaie 15 bobbic [balpen, bic, met boblogo …
voor Bob en de bob], waarmee ik deze alinea op het laatste moment nog
heb kunnen toevoegen aan de dicteetekst.
2. Awel, genoeg gedold. To the point om tot de pointe van dit puntige verhaal te komen.
3. U
kent mijn 16 geschwärm [gedweep] voor de
17 Griekse
ij, neergepend in mijn gelijknamig boekske dat overigens nog slechts na
scrutineus [uiterst grondig en zorgvuldig] speurwerk en met een 18 goedgevulde
[GB, VD] buidel bij een
19 oudeboekhandel [het boek is oud, niet de handel] te bemachtigen is. Met 20 eerder vermelde [wel: bovenvermeld, etc. – maar eerdergenoemde – 63] ij bedoel ik dan overigens de gestipte ij zoals die in Vlaanderen zo beeldend en beeldig is vermomd. Wij Ollanders zouden dat heel chauvinistisch de Hollandse ij kunnen noemen, maar meestal zeggen wij lange ij. Klopt die benaming echter wel? Even een 21 dtp’erig [desktoppublishing – ook: difterie, tetanus, polio] filosofietje.
4. Zoals uitgebeeld in de
titel van dit pamflet – en u dacht vast al: daar gaat-ie weer met zijn
22 Griekse-ij-ijdeltuiterij
– neemt in een moderne, elektronisch weergegeven tekst de zogeheten korte
ei ruimtelijk gezien bijna anderhalfmaal zo veel schrijflengte in beslag als de
vermeende lange ij. Let wel: schrijfléngte; het is maar vanuit welk perspectief
je het bekijkt. Of, zoals Drs. P [wijlen]
23 olewesjolem het
in zijn veerpontlied ‘Heen en weer’ formuleerde: Als de pont zo lang was als
de breedte van de stroom / dan kon hij blijven liggen, zei me laatst een
econoom. De lange ij is dus eigenlijk helemaal niet lang maar juist kort,
en de korte ei is daarmede juist lang. Door 24 nudging [onnadrukkelijke
beïnvloeding van het menselijk gedrag, bv. vlieg in urinoir] probeer ik u te
overtuigen dat we het voortaan dan ook moeten hebben over de gestipte korte ij
wanneer we de digraaf [combinatie van 2 letters tot één klank: ch, oe] ij
bedoelen (hé, wat grappig: de naam Dijkgraaf bevat een digraaf).
5. Met deze mathematisch-filosofische prelude zoomen we nog verder in op de nieuwgevormde gestipte ij, namelijk op de puntjes ervan: de hoofdrolspelers van dit dictee.
6. De punt, stip of tittel is
volgens Van Dale een leesteken. Paulien Cornelisse voegde daar laatst in de
Volkskrant nog een betekenis aan toe: misschien is de punt op de i wel een
diakritisch teken. De Turken kennen immers juist de stiploze i: de Stichtse
acteur met Ottomaanse roots Sadettin Kırmızıyüz heeft er wel drie. Ze kennen
daarnaast blijkbaar ook de gewone gestipte i zoals in Sadettin, maar dat is
hogeschoolgrammatica over ongeronde gesloten voor- en achterklinkers; vraagt u
daarover maar aan 25 rasneerlandicus drs. Bert Jansen, een
26
ras-Bussumer en dus ook 27 raslandgooier
[in de
stad Naarden wonen de erfgooiers, in de Gooise dorpen de landgooiers] (hetgeen
hij misschien een 28 locofaulisme [scheldwoord voor de inwoners
van een bepaalde plaats of streek] vindt).
7. De punt dus. Die kent een kortere geschiedenis dan het geschreven woord.
8. Na het minoïsche en myceense 29 Protogrieks, onder kenners van de klassieke filologie gekscherend ook wel het 30 Lineair non-A non-B genoemd, gingen de Oude Grieken modern 31 Oudgrieks spreken en zelfs schrijven, het laatste op hun eigen wijze:
DUISENDVOORCHRISTUSCORTOMMAC
MAARDATVANIESUSWISTENZETOEN
NOGNIETSCHREEFMENACHTEREEN
DOORINCAPITALENSPATIESENLEES
TECENSBESTONDENNOGNIET
9. Een lastige 32 aanwenst
[aanwensel], dat vonden ze zelf ook wel. Omdat geschreven teksten bedoeld
waren om te declameren (33 hoi polloi [massa, gewone volk,
gepeupel] was als de huidige
34 Krethi en Plethi [Jan Rap en
zijn maat] van de PVV: niet zelf kunnen lezen maar voorgelezen moeten
worden), bedacht Aristophanes van Byzantium rond 200 voor Christus – plaats en
datering zijn bekend, dus het is zeker niet 35 s.l.e.a. [sine
loco et anno, ook: s.a.e.l.] te noemen – drie leestekens die aangaven hoeveel
adem iemand nodig had om het volgende fragment voor te dragen, te weten: de komma,
een middelhoge punt (-) vlak voor een kort fragment; de kolon,
een laaggeplaatste punt (-) voor een langer stuk; en de periodos,
een hoge punt (-) voor een nog langer stuk met een pauze
vooraf. Wij noemen dat nu respectievelijk komma, dubbelepunt en punt. Een
baanbrekend novum dat – zelf blind – Homerus’ werken met diens 36 epea
pteroënta [gevleugelde woorden] vleugels liet krijgen. De 37 steilorige
[eigenwijs, nukkig, dwars] Romeinen vonden dit systeem
38 Ilias
post Homerum [iets volkomen overbodigs]: ze zouden 39 ad
calendas graecas
[met sint-juttemis, nooit] hun Griekse buren volgen
en volhardden met 40 caligare in sole
[ziende blind
zijn]. Zo bleven ze ten eeuwigen dage INDEKASTMETDEOUDEBOVENKASTELLENDE.
Laten wij ons trouwens niets verbeelden: in die tijd waren wij, gehuld in
berenvellen, nog bezig om met een
41 kruiwagen vol [hier
los!] zwerfkeien 42 cromlechs [door een foutje was dit
woord al ingevuld: laatneolithische steencirkel] in elkaar te flansen
terwijl we tegen elkaar brabbelden in het 43 Ingveoons
[= zie *] of een 44 dupe [nepversie van een duur merkproduct –
djoe:p] van dit
* Noordzee-Germaans.
10. We slaan een aantal eeuwen over.
11. Het gevleugelde ‘Hebban
olla uogala’ uit 1083 is – terecht of onterecht want er zijn Vlaamse
professorandussen die het wagen te bekampen –
45 te boek gesteld
[te boek stellen] als oudste ganzenpennenproef van de Hollandse
46 canaux,
canards, canaille [kanalen, eenden, schelmen, typering van Holland en de
Hollanders]. De rest van dit 47 hoogmiddeleeuwse [net als
laat- en vroegmiddeleeuws] 48 billet-doux [liefdesbriefje,
mv. billets-doux] zoekt u overigens zelf maar op.
We zijn met dit vogelgedicht inmiddels twaalf eeuwen later dan Aristophanes’ baanbrekende en puntige taaluitvinding en wat zien we bij Neerlands eerste regel? Die begint met een majuskel, er komen onderkastjes, hij kent woordscheidingen, en de zin wordt afgesloten met onze jeune premier of, zo u wilt, onze 49 prima donna: de punt. Het begint al wat te lijken.
12. In
de 15de eeuw verschenen er veel teksten van drukkers uit de stad van dogen, 50 bucentauren
[galei,
vanwaaruit de doge een ring in zee wierp] en de 51 zijderoute:
Venetië dus (apperpo: tegenwoordig kennen we ook de
52 Nieuwe
Zijderoute en zelfs de Kunstzijderoute langs welke onze Rembrandts en
Picasso’s hun weg vinden naar de Chinese 53 fils à papa [rijkeluiszoontje]
voor wie elke vorm van luxe algauw 54 toujours perdrix [zelfs
het beste gaat vervelen, als je er te veel van krijgt] is). Er werd door hen
druk geëxperimenteerd met komma, vraagteken, puntkomma en dubbelepunt, de
nieuwe sibben [gezamenlijke verwanten] van de punt. Ook het uitroepteken werd
door de gondeliers gecreëerd vanuit de (pauze)punt: ze voegden daar een
accentteken voor stemmodulatie aan toe. Het werden de punto esclamativo in het Italiaans en
het point d’exclamation in het Frans: een duidelijke
verwijzing naar de punt dus. Wij zouden het uitroepteken zomaar eens uitroeppunt
kunnen gaan noemen!
13. Alweer skippen we een aantal eeuwen.
14. Terwijl men zich in de
19de eeuw enorm
55 druk maakte over het gebruik van te veel
punten (de zogenoemde style coupé of hijgstijl, zoals Hij kwam
te huis. Hij zette zich aan tafel. Hij at. Hij dronk. Hij leide mes en vork
neer. Hij stond op. Hij stopte eene pijp. Hij ging in den tuin.), woedde
er in de 20ste eeuw tot zelfs bij Tweede Kamerleden zoals Henk Tilanus van de 56
Christelijk-historische Unie (VD – CHU), later opgegaan in het
57
Christendemocratisch Appel (VD – CDA), een ware puntenstrijd: de kwestie
ging over het gebruik van de afkortingspunt. Die zou alleen gebruikt mogen
worden wanneer de laatste letter van het afgekorte woord niet dezelfde was als
die van de afkorting: bij het woord ingenieur zou het dus ir zonder
punt, maar ing. juist mét moeten zijn, en alle verboden punten zouden moeten
worden 58 getipp-ext [onjuiste tekst op papier met correctievloeistof
verwijderen]. Het werd in 1960 zelfs een chefsache, en nog in 1993 werd in het
Nederlands Juristenblad gedreigd met
ƒ 15.000 boete wanneer men punten plaatste
achter mr, dr en drs hetgeen ik hierbij dan ook maar niet doe. Overigens werd
de kwestie 59 à bis ou à blanc [hoe dan ook] in de Kamer
positief beklonken met een punt chefsachertorte en een goed glas goede
60 malvezijwijn
[zekere wijn].
15. Deze
afkortingspuntenkwestie brengt ons dan
61 e vestigio [op
staande voet] via het modieuze bruggetje bij hetgeen mij leidde
tot het 62 leitmotiv [geen L, vernederlandst Duits, ook:
leidmotief] van dit dictee: de punt. De kwestie is namelijk: waarom betitelde 63
eerdergenoemde [maar: eerder vermelde – 20] Drs. P – voluit: Heinz
Polzer – zichzelf zo puntloos, zonder punt achter de p? Mede geholpen door een
zeer informatief essay van prof. dr. Nicoline van der Sijs in het werkje
‘Drs. P en de punt’ daagde het mij dat dit bij de introductie van
64 Heinz
P. in 1964, tijdens de tv-show van Willem O’Duys, door beide heren én 65
O’Duys’ goudvis in kom als artiestennaam zo werd geïntroduceerd:
drs. met een grote d en een punt erachter, en een grote p juist zonder punt.
Dat dat laatste echt van groot belang was voor deze 66 niet
zozeer hooggeleerde maar 67 wel hooggeletterde heer, met
zijn
68 alom geprezen en 69 alomtegenwoordige
70 copia verborum [woordenschat]
– een sterkzinnige en min of meer 71 alleenwonende [idiot]
72 savant [geestelijke stoornis] met
73 jarenzestigdogearsoverhemden
die het
74 alleen-zijn prefereerde; bepaald geen
75 lebemann
[bon vivant, levensgenieter, zinnelijke genoegens] dus – blijkt
uit een opmerking van een Stad-Utrechtse acadeem [academicus] die ik op het
spoor kwam via prof. Van der Sijs: dr. Marjolein Kool. Deze wiskundige,
neerlandica, dichteres en
76 vijftiger
[50+’er – de Vijftigers vormden een zekere groep dichters rond 1950 – Marjolein
is geboren in 1958!] werkte vaak samen met Polzer. Zij, beslist geen
femme savante, 77 bas-bleu [blauwkous, geen huishoudelijke
zaken] of
78 bluestocking
[blauwkous], meldde mij desgevraagd het
volgende: “En nu het teleurstellende slot van dit bericht. Ik weet dat Drs. P
zonder punt achter de P geschreven wordt. Dat is inderdaad geen toeval, want
toen ik dat per vergissing een keer wel had gedaan, werd ik daar door Heinz
fijntjes, beleefd maar onverbiddelijk op gewezen. Maar ik weet niet waarom dat
zo is. Helaas!” En daarom staat er geen punt achter 79 Drs. P. [maar
hier: einde zin!] Zo is het punten- en kommawerk dan toch tot een einde
gekomen: punt uit! Punt aan de lijn, zeggen de Belgen: point à la ligne.
Basta, finito, 80 abis perkara [in Indië: basta!], en daarmee
punctum!