Dictee – dictees [3819]
3819 Dictee donderdag 05-03-2026 (1) – dictee
Zeeuws-Vlaams
Groot Dictee 2007
Zeeuws-Vlaams Groot Dictee 2007 (auteurs: Marc de Smit en Rob Bedaf)
[Dictee Terneuzen – feitelijk Sas van Gent en Oostburg]
[Geen invuldictee! – bron www.dictees.nl, nummer 306]
Op je knieën! [auteurs: Marc de Smit en Rob Bedaf]
1. Thans beeldhouw ik in een groot blok witsteen ter grootte van een gezinskoelkast. Het materiaal is afkomstig uit China, geïmporteerd door een Italiaanse firma en verkocht aan mijn opdrachtgever door een beeldentuinspecialist uit Deinze. Dit alles teneinde een replica te realiseren van een van de wereldwonderen: de Taj Mahal, te India.
2. Uit de stenen koelkast moet ik de geprononceerde koepel hakken van het imposante bouwwerk. Mede door het volume van de steen in combinatie met haar exorbitante hardheid veroorzaakt door het hoge kwartsgehalte kan ik bepaalde stappen in vormgeving routinematig doorlopen. Eenmaal de juiste hoek of ronding bepaald, hak ik zomaar een dag vol zonder dat je al die arbeid eraan af ziet. Het maakt een mens ootmoedig, maar brengt mij niet op de knieën. Ook deze dedicatie zal ik tot een goed einde brengen, houd ik mij plechtig voor. Zo een repeterende inspanning geeft ruimte tot zelfreflectie.
3. Ik werk solistisch onder mijn carport. Het paard van de buurman, een lipizzaner [m/v], slaat mij gade. Zij slaakt bij tijd en wijle een verzuchtende hinnik. In vervoering van de heroïsche strijd met deze oermaterie dwalen mijn gedachten af. Ik zal u mijn diepste innerlijke roerselen besparen. Mannen fantaseren wat af om hun monnikenarbeid te verlichten. Totdat zich plotseling een beeld opdringt van mijn jeugd op de middelbare school in Rotterdam. Het is mijn aardrijkskundeleraar die zich vilein aandient.
4. Ik continueer mijn plicht, al vraag ik mij af wat die oud-leraar ineens komt doen. Ik heb weinig goede reminiscenties aan mijn middelbareschooltijd en in het bijzonder niet aan deze getroebleerde leraar, die meisjes tot aan huilen toe kleineerde omdat zij Istanboel niet wisten te duiden. Al het beste voor de goede man die ooit trachtte mij over de reling van de eerste verdieping in de aula beneden ons te gooien, maar waarom doemt hij juist nu op voor mijn geestesoog?
5. Waar blijft mijn oudste dochter? Normaliter is zij allang thuis uit school. Zes atheneum, niet gedoubleerd, bètakant. Een energieke, goocheme meid die een gezonde schurft heeft aan school. Met haar karakteristieke analytisch vermogen legt zij mij vaak uit welk een quatsch zij moet leren. Ik kan haar argumenten niet weerleggen. Gelukkig is het beroep van haar vader een schrikbeeld. Mijn eigen schoolcarrière verbeeldt geen voorbeeldfunctie. Zij zal haar weg wel vinden. Zo droom ik verder aan mijn steen, terwijl mijn handen gedachteloos beulen. Ik tracht de aardrijkskundeleraar te vervagen tot een oude prent vol craquelé.
6. De pestilente geur van zijn adem echter is hardnekkig. De luchthamer maakt een monotoon, hinderlijk geluid. Met oordopjes in registreer ik slechts een hypnotisch gezoem. Mijn ogen focussen strak op het profiel dat ik in de steen moet hakken, wanneer ik plotseling de voeten van mijn dochter ontwaar. Ik richt mijn blik omhoog en kijk in de ogen van een getergde teenager die mij rabiaat uitlegt dat school een kwelling is en dat zij vandaag heeft begrepen hoe alle leraren in elkaar steken. Ik zet mijn veiligheidsbril af, bevrijd mijn oren en ga zitten op de designkruk.
7. Drie vriendinnen die zo goed als niet te laat komen in de wiskundeklas: ‘Nog geen minuutje, papa! Wat is nu een minuutje. Kloteschool ... baggerzooi! Hoe kan het anders met al die vrije tussenuren. En de mediatheek is dicht! We komen net op tijd de school binnen, maar die brugwippers staan overal in de weg. Daar zou die conciërge eens wat van moeten zeggen, in plaats van te zeiken dat je een appel eet op de gang. Oké, komen we binnen, zegt Van Z. dat wanneer we op onze knieën vragen of we alsnog naar binnen mogen we geen telaatbriefje hoeven te halen. Ik heb geweigerd. En nu ga ik televisie kijken en een zak tortillachips leegeten. Ze kunnen allemaal creperen.’
8. De aardrijkskundeleraar dringt zich weer op. Gekneveld in een grijsgetint ossuarium verkrampt zijn gezicht tot een omineuze grijns en spert zijn mond. Ik deins terug. Buurmans paard trekt haar bovenlip omhoog en hinnikt smalend.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten