maandag 24 november 2025

3804 Dictee maandag 24-11-2025 (3) - dictee BeNeDictee 102 Birgit Diest √ x

Dictee – dictees [3804]

BeNeDictee 102 Diest 2025 Birgit

De 80 rode en genummerde items moesten worden ingevuld.

Commentaar in blauw.

Feesten als de beesten! [auteur: Birgit]

1. Eef keek in de spiegel en lachte zelfverzekerd. Ze had haar draperies d’amour (1) [wallen onder de ogen] gemaskeerd (2) [verborgen] met een dikke laag make-up en tuitte goedkeurend haar
botoxlippen (3) [extra vol]. Nog snel stylede ze haar steile (4) lokken. Ten slotte decoreerde ze zichzelf met enkele must-have (5)
accessoires. Samen met haar vriendin Jill was ze net aangekomen in de pousada (6) [Portugees staatshotel], een hotel in een historisch gebouw, midden in een klein Portugees dorpje, boven op een heuvel. Ze was benieuwd naar de avonturen die zich deze week zouden ontvouwen.

2. Hij baande zich een weg door de kolkende menigte. Het nauwsluitend (7) verenpak dat hij droeg, was ontzettend warm. Met de grootste moeite trachtte hij de andere leden van de fanfare bij te benen. De viersnarige cavaquinho (8) [tokkelinstrument] die hij leek te bespelen, droeg hij enkel ter versiering. Muzikaal was hij niet. Zijn talent beperkte zich tot het gebruik van een kazoo (9) [soort mirliton, muziekinstrument]. Hij gluuroogde door de gaatjes in zijn masker naar de goedogende
chicka’s (10) [mooi, aantrekkelijk meisje] die voorbijparadeerden. Hij werd er meteen hondsblij van. Met een big smile stopte hij hen een folder toe.

3. Het kleine dorp baadde in de herfstachtige sfeer van de jaarlijkse oogstfeesten. De hele middag liepen Eef en Jill langs de marktkraampjes met artisanale specialiteiten. Ze peuzelden gepofte kastanjes en dronken vinho verde (11) [Portugese mousserende wijn]. Toen de avond viel, het moment entre chien et loup, haalde Jill de verfrommelde folder uit haar handtas. ‘Dit moet wel delicieus zijn!’, riep ze uit, en ze bestudeerde het menu op het blaadje. Nog geen kwartier later gingen ze het Italiaans restaurant binnen en kregen ze een tafel toegewezen vlak bij de open keuken.

3a. Verblijd door haar fijne reis, was Eef verzeild geraakt in eindeloze mijmerijen … toen plots iemand zei: ‘Naast pasta en pizza, hebben we vandaag ook pissaladière (12). Dat is een op een pizza lijkende uientaart met ansjovis en olijven’. Eef was onder de indruk. Niet van de dagsuggestie, maar wel van de ober. Hij was betoverend. Dromerig volgden haar ogen hem tot aan de toog met daarachter de houtoven. ‘Yolo (13)’ [you only live once], riep de pizzaiolo (14) [pizzabakker], en hij gooide het deeg in de hoogte.

3b. Grinnikend bracht de ober de meisjes nog wat grissini. Eef was afgeleid door zijn guitige groenblauwe ogen en zijn hemd van greige (15) [grijsachtig beige] grège (16) [ruwe zijde]. ‘Hey dromer!’ echode het plots in haar oren. Blozend en schromelijk verstoord zag ze hoe de ober haar ironisch zijn blocnote toonde. Als voorgerecht bestelde Eef een schotel van burrata (17) [Italiaanse verse kaas], coeur-de-boeuftomaten (18) en cannellinibonen (19). Jill koos voor
vitello tonnato (20) [Italiaans gerecht] met Parmezaanse kaas. Daarna genoten ze van
gnudi (21) [Italiaans gerecht - njoe-die] en van pappardelle (22) [Italiaanse pasta] all’arrabbiata (23) [met arrabbiatasaus], met een glaasje
valpolicella (24) [Italiaanse wijn].

3c. Toen de ober hen zag eten, kreeg hij zelf het water in de mond, maar probeerde hij zijn antropofage gedachten te onderdrukken. In de plaats daarvan knipoogde hij naar Eef en zei hij: ‘Je moet je bord wel leegeten (25)’. ‘Nomnomnom (26)
njamnjam (27)’ [lekker …], antwoordde Eef. De ober zag er echt onwerelds knap uit. Hoe kon ze zo zot zijn van een wildvreemd mens?

3d. Na het hoofdgerecht trakteerde de ober Jill en Eef niet alleen op matcha latte (28) [matcha, groene thee met opgeklopte melk] en koffie uit een
airpot (29) [pompthermoskan], maar ook op
zijn hele levensverhaal. Zijn naam was Lucas en hij had hotellerie (30) gestudeerd. Zijn vader was een Pekinees (31) [persoon] en zijn moeder was de dochter van een Duitse herder (32) [geen hond, maar herder …]. In zijn jeugd ontfermde Lucas zich over zijn favoriete dier, een lui paard (33) [!], dat hoegenaamd geen harddraver (34) [wedstrijdpaard] was. In zijn vrije tijd hield hij van naaktschilderen (35) in zijn vintage schildersjas, las hij weleens een
krimi (36) [detective] of trok hij naar het buitenland voor een wedstrijdje
stepjøring (37) [voorttrekken op step door hond] of teqball (38) [zekere balsport].

4. De avond van de volgende dag hadden Eef en Jill het plan om te gaan partycrashen in de viplounge van de stadsfeestzaal. Hopelijk niet weer zo’n saaie ladies’ night (39), roloogden ze. Maar in de buurt van het gebouw, kwam de drum-’n-bassmuziek (40) [salvoachtig slagwerk en keiharde bassen] hen al tegemoet. Eef droeg een nietsverhullend (41) niemendalletje, zodat haar teksttatoeage (42) duidelijk zichtbaar was. Jill hield meer van gangsterchic (43) en droeg een bubbelgumroze (44) [kauwgum] ajour trui (45) [met openingen, evt. aaneen]. Beiden gingen ze zich vandaag niet inlaten met nolodrankjes (46) [no of low alcohol], maar wel met gijlbier (47) [bier in de gijlkuip]. Nadat ze al meerdere glaasjes achterover had gedrukt, liet Jill haar oog vallen op de organisator van het feest. Ze bubblede (48) [bubblen = een manier van dansen] vlak naast hem als een überpuber (49). ‘Bubblin (50) [raggamuffin of het bubblen], knipoogde ze naar Eef, die met haar ogen draaide en meer geïnteresseerd was in een glaasje bubbels (51) [champagne of schuimwijn]. De ober van dienst was een lid van de fanfare, die ze de vorige dag ook al was tegengekomen. Hij was voorzien van een masker en uitgedost in een folkloristisch verenkleed. Een tijdlang had hij Eef vanuit een fauteuil, in een hoek van de zaal, zitten begapen, maar nu was hij opnieuw met zijn dienblad in de weer. Eef was al zo zat als een zwitser (52) [huursoldaat] en bestelde nog iets te drinken in het Schwyzerdütsch (53) [Duits van Zwitserland]. De ober bracht haar een kir royal op zijn kabaret (54) [presenteerblad], maar overhandigde haar ook een opgerold blad papier, samengebonden met een saffloerrood (55) [saffraanrood] lint. Daarna verdween hij terug in de dansende menigte. Eef zwelgde haar drankje in één teug naar binnen, trok het lint enthousiast rond het blad vandaan en rolde het papier open. De kalligrafische letters dansten voor haar ogen. Half fluisterend las ze de tekst voor zichzelf: ‘Lieve Eef, ik observeerde je zonet door het raam van de stadsfeestzaal en was helemaal
epris (56) [verzot (op)] van jou. Afspraak om half 12 bij de kasteelruïne om samen de sterrenhemel te aanschouwen? Kus, Lucas’. Eefs hart maakte een sprongetje. Dit durfde ze niet te dromen. Binnen een halfuur zou ze de feestzaal verlaten, maar eerst danste ze nog uitgelaten onder de grote luster in
pâte de verre (57) [zeker glaspoeder] en bestelde ze nog een borrel (58) en sorreldrink (59) [drank uit het Caribisch gebied].

5. Toen de deejay (60) switchte naar stonerrock (61) [woestijnrock] en rockabilly (62) [rock + country-and-western], vond Eef dat het hoog tijd was om ertussenuit te knijpen. Ze keek nog even om zich heen, maar Jill was nergens meer te bekennen. Eef zwalpte naar de uitgang en trok de zware deur naar zich toe. Meteen kwam de ijskoude buitenlucht haar tegemoet. Niet alleen de buitenlucht, maar ook het besef dat ze, door een overmaat aan alcohol, nog amper recht kon lopen. Maar ze wou haar date niet teleurstellen. De kasteelruïne was overdag een uitkijkpunt over de vallei, en lag, een beetje afgelegen, in het uiterste zuidwesten van het dorp. Eef was oorspronkelijk van plan geweest de ruïne te bezoeken en had het stratenplan van het dorp uitvoerig bestudeerd. Hoewel haar bewustzijn enigszins vertroebeld was, herinnerde ze zich dat de ruïne zo’n vijftien minuten verwijderd was van het dorpsplein, waar ze zich nu bevond, en dat ze een geplaveid straatje moest nemen, aan beide zijden omzoomd door oude witte huisjes, dat al snel zou overgaan in een pad dat bergop liep naar het hoger gelegen, niet-bewoonde gedeelte van het dorp, gekenmerkt door overblijfselen van de oude stadsmuur en dorre bomen.

5a. Het was niet alleen ijskoud. Het dorp was daarenboven gehuld in een dichte mist. Het was doodstil. Eef hoorde enkel het geklets van haar stilettohakken op de oude kasseien. De bezoekers van het festival hadden het dorp intussen verlaten, en de meeste bewoners waren, achter de gordijnen van hun pittoreske woningen, allang weggezakt in een diepe slaap. Ook in het café-restaurant dat Eef zonet passeerde, werd het licht net gedoofd.

5b. Sporadisch brandde er nog een straatlantaarn, maar die bood weinig soelaas, want het mistgordijn was ondoordringbaar. Het zicht van Eef was buitengewoon flou, al zal ook haar eigen benevelde toestand daartoe bijgedragen hebben. Met moeite onderscheidde ze de middeleeuwse stenen boog, die de huisjes aan weerszijden van de straat verbond, en die ze bij dag zo prachtig vond. Ze hoorde een vreemd gestommel. Ze verstijfde en haar adem stokte. Een gedaante tekende zich af. Zijn gelaat was verborgen in de mist, maar zijn slodderbroek eindigde in felgroene dokkers (63) [zware, klotsende schoen]. Hij naderde zonder iets te zeggen. Wie gaat er nu wandelen in dit hondenweer? Plots klonk er een luid gejank en een afgekloven bot kwam rammelend neer voor haar voeten. Het voelde voor Eef allemaal zo macaber aan en haar half verdoofde brein kon de situatie niet meer vatten. Een soort benauwdheid bekroop haar en in een reflex zette ze het op een lopen. Of ze deed een poging daartoe. Met kleine, onvaste passen, waggelde ze verder door het dorpscentrum. Het gejank van de hond doorkliefde opnieuw de stilte van de nacht, en klonk nog steeds dichtbij. ‘Ik moet sneller lopen’, dacht Eef. Ze beende stevig door totdat de kasseien onder haar voeten schaarser werden en de weg overging in een pad van zand met grote keien. Ze verloor haar evenwicht en viel met haar rechterschouder bruusk tegen een chicane (64) [zoals een wegversmalling], die bedoeld was om fietsers de toegang tot de ruïne te verhinderen. Tot Eefs grote opluchting was het gejank van de hond naar de achtergrond verdwenen. Met haar laatste krachten hees ze zichzelf recht en spurtte nog de laatste meters tot aan de ruïne, waar Lucas zijn opwachting zou maken. De mist was intussen opgetrokken en had plaatsgemaakt voor een heldere hemel. Eef liet haar blikken weiden (65) [rondgaan van de ogen] over de binnenplaats van het oude kasteel, maar er was geen levende ziel te bespeuren. Opnieuw kwam het gejank van de hond dichterbij. Was Lucas nu maar hier om haar te beschermen! Als hier iets gebeurde, zou niemand haar vinden. Eef werd gegrepen door een enorme paniek. Ze moest zichzelf in veiligheid brengen en besloot om zich te verschuilen in het oude, overdekte waterbassin, in een bijgebouw van het kasteel. Behoedzaam daalde ze de glibberige trap af, tot ze aankwam bij de toegangspoort. Ze sloop er stilletjes onderdoor en betrad de benepen ruimte. Het pad was smal en omzoomde een grote regenput die amper zichtbaar was, want het was aardedonker. Het geschuifel van haar voeten weerklonk in de kleine ruimte. Ze volgde het pad tot helemaal achter de regenput, terwijl ze met haar handen tegen de klamme muur streek. Ze hurkte neer en begon zachtjes te snikken. Ze had zich weer eens in de nesten gewerkt. Hier zou ze blijven zitten tot morgenvroeg, totdat de toeristen het kleine dorpje opnieuw bevolkten. Buiten hoorde ze plots een vriendelijke stem haar naam roepen: ‘Eef, ben je daar?’ ‘Was Lucas dan toch naar de ruïne gekomen?’ Een grote opluchting maakte zich van haar meester. ‘Ik kom eraan’, antwoordde ze met een klein stemmetje, en ze baande zich een weg naar de uitgang. Aan de andere kant van de toegangspoort, kwam de klare sterrenhemel haar tegemoet. Ze betrad opnieuw het binnenplein van de ruïne, dat baadde in het schijnsel van de vollemaan. Nog steeds geen Lucas te bespeuren. Ineens weerklonk er een geluid achter haar, maar ze bleef voor zich uit staren, als was ze aan de grond genageld. Ze voelde twee armen rond haar nek en hoorde een stem die zei: ‘Kijk eens, Eefje, mooi hè, die maan, en zo romantisch!’ Ze was te erg geschrokken om het romantisch te kunnen vinden en werd ineens iets vreemds gewaar. Lucas’ armen, die tevoorschijn kwamen uit een pak met veren,  waren bedekt met een dikke, goudbruine vacht. Zijn o zo sierlijke handen waren veranderd in poten met vlijmscherpe klauwen, waarmee hij zacht langs Eefs gezicht streelde. Eef wou weglopen, maar Lucas hield haar te stevig in zijn greep. Ze keek naar beneden en zag een paar fluogroene schoenen, die ze precies al eerder gezien had. Zijn maag rammelde onheilspellend. ‘Ik sluit mijn ogen’, siste hij, ‘en geniet van dit bijzondere moment. Niet alleen van die prachtige sterrenhemel, maar ook van de gedachte aan een lekkere hap. Nee, geen appetizer,
goûter (66) of vieruurtje! Wel een koningsmaaltijd, een grande bouffe (67), een zwelgpartij!’ Bij elk woord dat er over zijn lippen rolde, werd zijn stem luider en luider, en de sfeer grimmiger en grimmiger. Hangry [humeurig van de honger], dat werd hij van haar aanblik! Haar hoofd bevond zich nog steeds tussen zijn twee bovenarmen, op het moment dat er een slijmerige brij van kwijl aan beide zijden van haar blauwgrijze kijkers naar beneden sijpelde. Walgelijk! Ze viel bijna in katzwijm. Lucas was niet meer voor rede (68) [denkvermogen] vatbaar. Hij gromde hongerig en bewoog zijn scheurtanden in de richting van Eefs blote schouder. Zij wilde koste wat het kost weg uit dit apocalyptische tafereel, tilde haar knie omhoog en trapte krachtig met haar naaldhak, dwars door Lucas’ zware stappers, hoorde een explosie en zag dat zijn grote wolvenpoten zich ontblootten. Ze hoorde een luid geschrei dat zich verspreidde en begreep dat ze tegen een weerwolf moest gaan strijden.

6. We steken nog een tandje bij, een demarrage (69) [ontsnappen uit het peloton], zoals dat heet in het Schoon Vlaams (70) [staat in VD!], voor een bloedstollende finale: Eef vluchtte de toren in, op de voet gevolgd door de weerwolf. Na wat 
surplacen
(71)
[uit het wielrennen] op de bovenste verdieping, stond Eef met haar rug tegen het
glas-in-loodraam (72). De weerwolf haalde uit en Eef schreeuwde, terwijl ze door het raam vloog:
In boterbloemvet gesmoorde weerwolf (73),
kwibus (74) [zonderling], Basji-Bozoek [niet in wdb.], schobbejak (75) [schavuit], anakoloet (76) [figuurlijk: zin die niet loopt]'. Splash! Na deze defenestratie (77) [uit het raam gooien] spatte, 3 etages lager, naast Eef haar ingewanden, ook haar sacoche (78) [handtas] open. Hierbij vloog een tandenstoker, die ze in het restaurant van de toen nog vriendelijke ober (79) had gekregen, deus-ex-machinagewijs (80) [deus ex machina = iemand die op een beslissend ogenblik als ’t ware uit de lucht komt vallen en een einde maakt aan een verwarde toestand], recht door het hart van de weerwolf. Iedereen is dood, einde.

 

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten