[Rein Leentfaar – Middelburg]
Hoeveel is 0,11 s?
Bij de Olympische Winterspelen 2026 in Milaan reden op de 500 m schaatsen Jordan Stolz (goud, 33,77 s) en Jenning de Boo (zilver, 33,88 s) tegen elkaar. Het verschil was dus 0,11 s. Hoeveel is dat eigenlijk? Welnu, als je 1, 2, 3, … telt, gaat die 0,11 maar liefst 9 keer in één tel, in één s. Voor een mens niet te bevatten. Om het verschil duidelijk te maken, zou je niet naar het tijdsverschil in s, maar naar het afstandsverschil in m moeten kijken. Hoeveel is dat? Wel, 0,11 gedeeld door 33,77 is 0,326% en 0,326% van 500 m = 1,63 m, afgerond pakweg anderhalve meter. Dat is wel te bevatten.
Wat er gebeurt, is: de rijders rijden dezelfde afstand en we meten de tijd. Bij bv. een werelduurrecord rijden ze dezelfde tijd en meten we de afstand. Dat model is bij die anderhalve meter gebruikt.
Bij de vrouwen op de 5000 m zaten de beste vier binnen 0,3 s van elkaar (winnares Francesca Lollobrigida met 6 m 46,17 s) Dat is 406,17 s en die nummer 4 had dus 0,3 gedeeld door 406,17 = 0,074% meer aan tijd nodig. Vervolgens is 0,074% van 5000 m afgerond 3,7, zeg maar drieënhalve meter. De nummer 2, onze Merel Conijn, gaf 0,11 s toe, Voor haar zou de achterstand dus 0,11 / 0,3 maal die 3,7 meter = slechts 1,35 m geweest zijn – allemaal: als ze met zijn vieren in dezelfde baan hadden kunnen rijden … Fascinerend!
Geen opmerkingen:
Een reactie posten