Dictee – dictees [3804]
BeNeDictee 102 Diest 2025 Birgit
De 80 rode en genummerde items moesten worden
ingevuld.
Commentaar in blauw.
Feesten als de beesten! [auteur: Birgit]
1. Eef keek in de spiegel en lachte
zelfverzekerd. Ze had haar draperies d’amour (1) [wallen onder de ogen] gemaskeerd (2) [verborgen] met een dikke laag make-up en tuitte goedkeurend
haar
botoxlippen (3) [extra
vol]. Nog snel stylede ze haar steile
(4) lokken. Ten slotte decoreerde ze zichzelf met enkele must-have (5)
accessoires. Samen met haar vriendin Jill was ze net
aangekomen in de pousada (6) [Portugees
staatshotel], een hotel
in een historisch gebouw, midden
in een klein Portugees dorpje, boven op een heuvel. Ze was benieuwd naar de
avonturen die zich deze week zouden ontvouwen.
2. Hij baande zich een weg door de kolkende
menigte. Het nauwsluitend (7) verenpak dat hij droeg, was ontzettend warm.
Met de grootste moeite trachtte hij de andere leden van de fanfare bij te
benen. De viersnarige cavaquinho
(8) [tokkelinstrument] die
hij leek te bespelen, droeg hij enkel ter versiering. Muzikaal was hij niet. Zijn talent beperkte
zich tot het gebruik van een
kazoo (9) [soort mirliton, muziekinstrument]. Hij gluuroogde door de gaatjes in zijn masker
naar de goedogende
chicka’s (10) [mooi, aantrekkelijk meisje] die voorbijparadeerden. Hij werd er meteen hondsblij van. Met een big smile
stopte hij hen een folder toe.
3. Het kleine dorp baadde in
de herfstachtige sfeer van de jaarlijkse oogstfeesten. De hele middag liepen
Eef en Jill langs de marktkraampjes met artisanale specialiteiten. Ze peuzelden
gepofte kastanjes en dronken vinho verde (11) [Portugese
mousserende wijn]. Toen de avond viel, het moment entre chien et loup,
haalde Jill de verfrommelde folder uit haar handtas. ‘Dit moet wel delicieus
zijn!’, riep ze uit, en ze bestudeerde het menu op het blaadje. Nog geen
kwartier later gingen ze het Italiaans restaurant binnen en kregen ze een tafel
toegewezen vlak bij de open keuken.
3a. Verblijd door haar fijne
reis, was Eef verzeild geraakt in eindeloze mijmerijen … toen plots iemand zei:
‘Naast pasta en pizza, hebben we vandaag ook pissaladière
(12). Dat is een op een pizza lijkende uientaart met ansjovis en
olijven’. Eef was onder de indruk. Niet
van de dagsuggestie, maar wel van de ober. Hij was betoverend. Dromerig volgden
haar ogen hem tot aan de toog met daarachter de houtoven. ‘Yolo (13)’ [you
only live once], riep de pizzaiolo (14) [pizzabakker], en hij gooide het deeg in de hoogte.
3b. Grinnikend bracht de ober
de meisjes nog wat grissini. Eef was afgeleid door zijn guitige groenblauwe ogen en zijn hemd van greige
(15) [grijsachtig beige]
grège (16) [ruwe zijde]. ‘Hey
dromer!’ echode het plots in haar oren. Blozend en
schromelijk verstoord zag ze hoe de ober haar ironisch zijn blocnote toonde. Als
voorgerecht bestelde Eef een schotel van burrata (17)
[Italiaanse verse kaas],
coeur-de-boeuftomaten (18) en cannellinibonen
(19). Jill koos voor
vitello tonnato (20)
[Italiaans gerecht] met Parmezaanse kaas. Daarna genoten ze van
gnudi (21) [Italiaans gerecht - njoe-die] en
van pappardelle (22) [Italiaanse
pasta] all’arrabbiata (23) [met
arrabbiatasaus], met een glaasje
valpolicella (24) [Italiaanse wijn].
3c. Toen de ober hen zag eten, kreeg hij zelf het
water in de mond, maar probeerde hij zijn antropofage gedachten te
onderdrukken. In de plaats daarvan knipoogde hij naar Eef en zei hij: ‘Je moet
je bord wel leegeten (25)’. ‘Nomnomnom (26)
njamnjam (27)’ [lekker …],
antwoordde Eef. De ober zag er echt onwerelds knap uit. Hoe kon ze zo zot zijn
van een wildvreemd mens?
3d. Na het hoofdgerecht
trakteerde de ober Jill en Eef niet alleen op matcha
latte (28) [matcha, groene thee met opgeklopte melk] en
koffie uit een
airpot (29) [pompthermoskan], maar ook op zijn hele levensverhaal. Zijn naam was Lucas en hij
had hotellerie (30) gestudeerd. Zijn vader
was een Pekinees (31) [persoon] en zijn moeder was de dochter van
een Duitse herder (32) [geen hond, maar herder …]. In zijn jeugd
ontfermde Lucas zich over zijn favoriete dier, een lui
paard (33) [!], dat
hoegenaamd geen harddraver (34) [wedstrijdpaard]
was. In zijn vrije tijd hield hij van naaktschilderen
(35) in zijn vintage schildersjas, las hij weleens een
krimi (36) [detective] of
trok hij naar het buitenland voor een wedstrijdje stepjøring (37) [voorttrekken op step door hond] of teqball (38)
[zekere balsport].
4. De avond van de volgende dag hadden Eef en
Jill het plan om te gaan partycrashen in de viplounge van de stadsfeestzaal. Hopelijk
niet weer zo’n saaie ladies’ night (39), roloogden
ze. Maar in de buurt van het gebouw, kwam de drum-’n-bassmuziek (40) [salvoachtig slagwerk en keiharde bassen] hen al
tegemoet. Eef droeg een nietsverhullend (41) niemendalletje, zodat haar teksttatoeage (42) duidelijk zichtbaar was. Jill hield meer van gangsterchic (43) en droeg een bubbelgumroze
(44) [kauwgum] ajour trui (45) [met
openingen, evt. aaneen]. Beiden gingen ze zich vandaag
niet inlaten met nolodrankjes (46) [no of low alcohol], maar wel met gijlbier (47) [bier
in de gijlkuip]. Nadat ze al meerdere glaasjes achterover
had gedrukt, liet Jill haar oog vallen op de organisator van het feest. Ze bubblede (48) [bubblen = een manier van dansen] vlak naast hem als een überpuber (49). ‘Bubblin’ (50) [raggamuffin of het bubblen], knipoogde ze naar Eef, die met haar ogen
draaide en meer geïnteresseerd was in een glaasje bubbels (51) [champagne
of schuimwijn]. De ober van dienst was een lid van de
fanfare, die ze de vorige dag ook al was tegengekomen. Hij was voorzien van een
masker en uitgedost in een folkloristisch verenkleed. Een tijdlang had hij Eef
vanuit een fauteuil, in een hoek van de zaal, zitten begapen, maar nu was hij
opnieuw met zijn dienblad in de weer. Eef was al zo zat als een zwitser (52) [huursoldaat] en bestelde nog iets
te drinken in het Schwyzerdütsch (53) [Duits van Zwitserland]. De ober bracht haar een kir royal op zijn kabaret (54) [presenteerblad], maar overhandigde haar ook een opgerold blad papier,
samengebonden met een saffloerrood (55) [saffraanrood] lint. Daarna verdween hij terug in de dansende menigte. Eef
zwelgde haar drankje in één teug naar binnen, trok het lint enthousiast rond
het blad vandaan en rolde het papier open. De kalligrafische letters dansten
voor haar ogen. Half fluisterend las ze de tekst voor zichzelf: ‘Lieve Eef, ik
observeerde je zonet door het raam van de stadsfeestzaal en was helemaal
epris (56) [verzot
(op)] van jou. Afspraak om half 12 bij de
kasteelruïne om samen de sterrenhemel te aanschouwen? Kus, Lucas’. Eefs hart
maakte een sprongetje. Dit durfde ze niet te dromen. Binnen een halfuur zou ze
de feestzaal verlaten, maar eerst danste ze nog uitgelaten onder de grote
luster in
pâte de verre (57) [zeker glaspoeder] en bestelde ze nog een borrel (58) en sorreldrink (59) [drank
uit het Caribisch gebied].
5. Toen de deejay (60) switchte naar stonerrock (61) [woestijnrock] en rockabilly (62) [rock + country-and-western], vond Eef dat het
hoog tijd was om ertussenuit te knijpen. Ze keek nog even om zich heen, maar
Jill was nergens meer te bekennen. Eef zwalpte naar de uitgang en trok de zware
deur naar zich toe. Meteen kwam de ijskoude buitenlucht haar tegemoet. Niet
alleen de buitenlucht, maar ook het besef dat ze, door een overmaat aan alcohol,
nog amper recht kon lopen. Maar ze wou haar date niet teleurstellen. De
kasteelruïne was overdag een uitkijkpunt over de vallei, en lag, een beetje
afgelegen, in het uiterste zuidwesten van het dorp. Eef was oorspronkelijk van
plan geweest de ruïne te bezoeken en had het stratenplan van het dorp uitvoerig
bestudeerd. Hoewel haar bewustzijn enigszins vertroebeld was, herinnerde ze
zich dat de ruïne zo’n vijftien minuten verwijderd was van het dorpsplein, waar
ze zich nu bevond, en dat ze een geplaveid straatje moest nemen, aan beide
zijden omzoomd door oude witte huisjes, dat al snel zou overgaan in een pad dat
bergop liep naar het hoger gelegen, niet-bewoonde gedeelte van het dorp,
gekenmerkt door overblijfselen van de oude stadsmuur en dorre bomen.
5a. Het was niet
alleen ijskoud. Het dorp was daarenboven gehuld in een dichte mist. Het was doodstil.
Eef hoorde enkel het geklets van haar stilettohakken op de oude kasseien. De
bezoekers van het festival hadden het dorp intussen verlaten, en de meeste bewoners
waren, achter de gordijnen van hun pittoreske woningen, allang weggezakt in een
diepe slaap. Ook in het café-restaurant dat Eef zonet passeerde, werd het licht
net gedoofd.
5b. Sporadisch
brandde er nog een straatlantaarn, maar die bood weinig soelaas, want het
mistgordijn was ondoordringbaar. Het zicht van Eef was buitengewoon flou, al
zal ook haar eigen benevelde toestand daartoe bijgedragen hebben. Met moeite
onderscheidde ze de middeleeuwse stenen boog, die de huisjes aan weerszijden
van de straat verbond, en die ze bij dag zo prachtig vond. Ze hoorde een vreemd
gestommel. Ze verstijfde en haar adem stokte. Een gedaante tekende zich af. Zijn
gelaat was verborgen in de mist, maar zijn slodderbroek eindigde in felgroene dokkers (63) [zware,
klotsende schoen]. Hij naderde zonder
iets te zeggen. Wie gaat er nu wandelen in dit hondenweer? Plots klonk er een
luid gejank en een afgekloven bot kwam rammelend neer voor haar voeten. Het
voelde voor Eef allemaal zo macaber aan en haar half verdoofde brein kon de
situatie niet meer vatten. Een soort benauwdheid bekroop haar en in een reflex
zette ze het op een lopen. Of ze deed een poging daartoe. Met kleine, onvaste
passen, waggelde ze verder door het dorpscentrum. Het gejank van de hond
doorkliefde opnieuw de stilte van de nacht, en klonk nog steeds dichtbij. ‘Ik
moet sneller lopen’, dacht Eef. Ze beende stevig door totdat de kasseien onder
haar voeten schaarser werden en de weg overging in een pad van zand met grote
keien. Ze verloor haar evenwicht en viel met haar rechterschouder bruusk tegen een
chicane (64) [zoals een
wegversmalling], die bedoeld was om
fietsers de toegang tot de ruïne te verhinderen. Tot Eefs grote opluchting was
het gejank van de hond naar de achtergrond verdwenen. Met haar laatste krachten
hees ze zichzelf recht en spurtte nog de laatste meters tot aan de ruïne, waar
Lucas zijn opwachting zou maken. De mist was intussen opgetrokken en had
plaatsgemaakt voor een heldere hemel. Eef liet haar blikken weiden (65) [rondgaan van de ogen] over de binnenplaats van het oude
kasteel, maar er was geen levende ziel te bespeuren. Opnieuw kwam het gejank
van de hond dichterbij. Was Lucas nu maar hier om haar te beschermen! Als hier
iets gebeurde, zou niemand haar vinden. Eef werd gegrepen door een enorme
paniek. Ze moest zichzelf in veiligheid brengen en besloot om zich te
verschuilen in het oude,
overdekte waterbassin, in een bijgebouw van het kasteel. Behoedzaam daalde
ze de glibberige trap af, tot ze aankwam bij de toegangspoort. Ze sloop er
stilletjes onderdoor en betrad de benepen ruimte. Het pad was smal en omzoomde
een grote regenput die amper zichtbaar was, want het was aardedonker. Het
geschuifel van haar voeten weerklonk in de kleine ruimte. Ze volgde het pad tot
helemaal achter de regenput, terwijl ze met haar handen tegen de klamme muur streek. Ze hurkte
neer en begon zachtjes te snikken. Ze had zich weer eens in de nesten gewerkt. Hier
zou ze blijven zitten tot morgenvroeg, totdat de toeristen het kleine dorpje
opnieuw bevolkten. Buiten hoorde ze plots een vriendelijke stem haar naam
roepen: ‘Eef, ben je daar?’ ‘Was Lucas dan toch naar de ruïne gekomen?’ Een
grote opluchting maakte zich van haar meester. ‘Ik kom eraan’,
antwoordde ze met een klein stemmetje, en ze baande zich een weg naar de
uitgang. Aan de andere kant van de toegangspoort, kwam de klare sterrenhemel
haar tegemoet. Ze betrad opnieuw het binnenplein van de ruïne, dat baadde in
het schijnsel van de vollemaan. Nog steeds geen Lucas te bespeuren. Ineens
weerklonk er een geluid achter haar, maar ze bleef voor zich uit staren, als
was ze aan de grond genageld. Ze voelde twee armen rond haar nek en hoorde een
stem die zei: ‘Kijk eens, Eefje, mooi hè, die maan, en zo romantisch!’ Ze was
te erg geschrokken om het romantisch te kunnen vinden en werd ineens iets
vreemds gewaar. Lucas’ armen, die tevoorschijn kwamen uit een pak met veren, waren bedekt met een dikke, goudbruine vacht. Zijn
o zo sierlijke handen waren veranderd in poten met vlijmscherpe klauwen,
waarmee hij zacht langs Eefs gezicht streelde. Eef wou weglopen, maar Lucas
hield haar te stevig in zijn greep. Ze keek naar beneden en zag een paar
fluogroene schoenen, die ze precies al eerder gezien had. Zijn maag rammelde
onheilspellend. ‘Ik sluit mijn ogen’, siste hij, ‘en geniet van dit bijzondere
moment. Niet alleen van die prachtige sterrenhemel, maar ook van de gedachte
aan een lekkere hap. Nee, geen appetizer,
goûter (66) of vieruurtje! Wel een
koningsmaaltijd, een grande bouffe (67),
een
zwelgpartij!’ Bij elk woord dat er over zijn lippen rolde, werd zijn stem
luider en luider, en de sfeer grimmiger en grimmiger. Hangry [humeurig van de
honger], dat werd hij van haar aanblik! Haar hoofd
bevond zich nog steeds tussen zijn twee bovenarmen, op het moment dat er
een slijmerige brij van kwijl aan beide zijden van haar blauwgrijze kijkers naar
beneden sijpelde. Walgelijk! Ze viel bijna in katzwijm. Lucas was niet meer voor rede (68) [denkvermogen]
vatbaar. Hij gromde hongerig
en bewoog zijn scheurtanden in de richting van Eefs blote schouder. Zij wilde
koste wat het kost weg uit dit apocalyptische tafereel, tilde haar knie omhoog
en trapte krachtig met haar naaldhak, dwars door Lucas’ zware stappers, hoorde
een explosie en zag dat zijn grote wolvenpoten zich ontblootten. Ze hoorde een
luid geschrei dat zich verspreidde en begreep dat ze tegen een weerwolf moest
gaan strijden.
6. We steken nog een tandje bij, een demarrage (69) [ontsnappen
uit het peloton], zoals dat heet in het Schoon Vlaams (70) [staat in VD!],
voor een bloedstollende finale: Eef vluchtte de toren in, op de voet gevolgd
door de weerwolf. Na wat
surplacen (71) [uit het wielrennen] op de bovenste verdieping, stond Eef met haar
rug tegen het
glas-in-loodraam (72). De weerwolf
haalde uit en Eef schreeuwde, terwijl ze door het raam
vloog:
‘In boterbloemvet gesmoorde weerwolf (73),
kwibus (74) [zonderling], Basji-Bozoek [niet in wdb.], schobbejak (75) [schavuit], anakoloet (76) [figuurlijk: zin die
niet loopt]'. Splash! Na
deze defenestratie (77) [uit
het raam gooien] spatte, 3 etages lager, naast Eef haar
ingewanden, ook haar sacoche (78) [handtas]
open. Hierbij vloog een
tandenstoker, die ze in het restaurant van de toen nog vriendelijke ober (79) had gekregen, deus-ex-machinagewijs (80) [deus ex machina = iemand die op een
beslissend ogenblik als ’t ware uit de lucht komt vallen en een einde maakt aan
een verwarde toestand],
recht door het hart van de weerwolf. Iedereen is dood, einde.